Tekst en foto’s: Marjan Waldorp
Artikel uit Turning Wheel 2026-3
Vanuit de erker kon je de driehoekige toren van het Nederlands Congresgebouw zien groeien. Het was 1968. Na het overlijden van mijn oma had mijn opa een verdieping van een statig herenhuis in het Statenkwartier betrokken. Een heel huis was een maatje te groot geworden. Het appartement zag er uit als een museum. De wanden waren behangen met schilderijen, antieke klokken aan de muur. In de achterkamer stond een grote kloostertafel met daarop een uitstalling: tin, een oude weegschaal met gewichten, een kraantjespot. Mijn opa verzamelde wat hij leuk vond.

Elke veertien dagen reden wij vanuit Aerdenhout naar Den Haag: Vogelenzang, Lisse, Oegsgeest, Wassenaar richting Scheveningen.
De Landscheidingsweg werd ’s avonds verlicht door een dubbele rij bollampen. Het “parelsnoer” noemde mijn vader dat.
Het “museum” van mijn opa was mooi, maar voor een kind was er weinig te doen. Ik verveelde me nogal tijdens de bezoeken aan opa. Op een dag stond er ineens een cello in de achterkamer. Hoe die daar gekomen was, geen idee. Waarschijnlijk op een veiling op de kop getikt. Niet dat mijn opa cello ging spelen. De antieke cello vond hij gewoon een mooi object. Vanuit verveling trok de cello mijn aandacht. Ik streek er maar eens wat op. Mijn vader was meteen laaiend enthousiast! Geweldig! Ik moest maar cello leren spelen. Dan zou ik mee kunnen doen in het schoolorkest van het Stedelijk Gymnasium. Hij zag het helemaal voor zich! Zo gezegd, zo gedaan. Er werd een studiecello gekocht, een oud afgeragd barrel. Nee, op de antieke cello van opa mocht ik niet spelen. Later misschien, als ik het spelen onder de knie zou hebben. Celloles werd geregeld via de muziekschool bij een oude leermeester, die thuis op zijn zolder sigarenrokend les gaf.
Maar de cello en ik, het werd geen gelukkig huwelijk. Het was achteraf gezien ook een nogal eenzaam avontuur. Ik had niemand in mijn omgeving om mij muzikaal aan op te kunnen trekken. Ja, ik had een neef, die goed blokfluit speelde, maar met die familie was er weinig contact. Mijn ouders deden geen van beiden aan muziekbeoefening, hoewel mijn moeder als kind pianoles gehad zou hebben. In mijn lagere schooltijd speelde muziek geen rol van betekenis. Ik herinner me muzieklessen in de gymzaal, waar we op houten blokken moesten tikken. Ik vond er niets aan.
Mijn muzikale belangstelling ontwikkelde zich zo ongeveer gelijktijdig met de opgedrongen cellolessen, maar wel in een geheel andere richting!
Bij een oom vond ik cassettebandjes met daarop Errol Garner en Oscar Peterson. Ik had Jazz ontdekt en dat smaakte meteen naar meer! Van een schoolvriendin nam ik een LP van Pia Beck over, mijn eerste grammofoonplaat! Ik had de euvele moed mijn LP een keer op de Perpetuum Ebner van mijn vader te leggen. Uit de luidspreker van de Philips buizenradio schalde het “Teach Me Tonight” en “Fly Me To The Moon”. Dat viel niet in goede aarde. Bovendien, Jazz, dat was “ketelmuziek”.
Met de cello kon ik muzikaal niet zo uit de voeten. Ik herinner me dat ik op een middag de cello over mijn knie legde, om te onderzoeken of het instrument misschien als gitaar bruikbaar was. Toen mijn moeder mij betrapte, ontstak ze in woede. Hoe ik het bestond om het instrument zo te ontheiligen! De cellolessen werden beëindigd. Het cello-avontuur was voorbij. Maar mijn muziekavontuur was niet voorbij! In de KRO-gids vond ik uitzendingen van het “North Sea Jazz Festival”. Tot ongenoegen van mijn ouders zat ik ’s avonds laat naar onze zwart-wittelevisie te kijken, terwijl zij al op een oor lagen.
Later, in mijn studietijd, ging ik met vrienden zelf naar het “North Sea” in Den Haag. Met mijn TEAC PC-10, een portable cassettedeck, verstopt in een schoudertas met stevige draagriem (6kg!), maakte ik clandestien opnamen. Een keer liep ik tegen de lamp en moest mijn recorder inleveren. Gelukkig kon ik na afloop mijn kostbare machine wel weer ophalen. Het waren geweldige jaren onder de bezielende leiding van Paul Acket!
Alle grote namen heb ik voorbij zien komen: Miles Davis, Al Jarreau, George Benson, Joe Pass, Toots Thielemans, Shirley Horn, Chick Corea. Nee, niet Jimmy Smith! Als ik toen de Hammond ontdekt had, had de geschiedenis misschien een andere loop genomen.
In mijn studietijd bewoonde ik een zolderkamer van een groot herenhuis dat door een loodgieter tot eenkamerappartementen was verbouwd. Beneden zat een gitarist. Ik ging een keer met hem mee naar zijn vaste muziekwinkel. Tussen alle muziekinstrumenten zag ik een soort elektrisch pianootje dat mijn aandacht trok. Dat bleek een Philicorda te zijn. We liepen verder. Een demonstratie was achteraf wel leuk geweest. Toch bleef er iets hangen. Elektronische keyboards op basis van digitale tweedelers waren in opkomst. Ik overwoog om een Cosmosound te bouwen, een bouwpakket van Skiltronics Holland. Via de gitarist leende ik een keyboard om te onderzoeken of dat iets voor mij zou zijn. Nou, nee. Als ik een toets indrukte kwam er geluid uit, maar om er iets leuks mee te doen. Ik had geen idee waar ik moest beginnen! Onverrichter zake bracht ik het keyboard terug.
Op deze website plaatsen we cookies die de website goed laten werken of anoniem het gebruik van onze website analyseren.
We plaatsen geen cookies waar u toestemming voor moet geven. Meer informatie vindt u in onze privacyverklaring of geef akkoord en sluit deze melding.